Verplanten Zeegras






Verplanten zeegras
Verplanten zeegras

Voor de realisatie van een teenconstructie en kreukelberm wordt tijdelijk gebruik gemaakt van een werkstrook, variërend van 10 tot 15 meter gemeten vanuit de nieuwe waterbouwkundige teen van de dijk. In deze strook moet permanente schade aan schorren en slikken zo veel mogelijk worden voorkomen.

In enkele dijktrajecten stond het zeldzame klein zeegras in de werkstrook. Zonder maatregelen was dit verloren gegaan bij de dijkversterkingen. Klein zeegras is een Europees beschermde soort die het in het laatste decennium goed doet in de Waddenzee, maar in Zeeland sterk is afgenomen. Voor de afsluiting van de Deltawateren door dammen en de Oosterscheldekering kwam er ongeveer 1.200 hectare klein zeegras voor in de Zeeuwse wateren. Tegenwoordig resteert nog 75 hectare. Voornaamste reden van de achteruitgang is waarschijnlijk het toegenomen zoutgehalte in vooral de Oosterschelde. Evenals de strenge winters in samenhang met het afregelen van de Oosterscheldekering midden jaren '80 van de vorige eeuw.

Tussen 2007 en 2011 voerde projectbureau Zeeweringen verschillende zeegrastransplanties uit. Voorafgaand aan de dijkversterkingen werd gekeken waar zeegras in de werkstrook groeide; daar werd het zoveel mogelijk verwijderd. Vervolgens werd vervoerd naar een andere geschikte locatie in de Oosterschelde en opnieuw geplant.

Voorafgaand aan de verplantingen werden proeven met schelpen uitgevoerd. Deze schelpen bleken nodig om het zeegras op de nieuwe locatie te beschermen tegen wadpieren.

De zeegrasmigraties bleken een succes: het kwetsbare plantje kan onder de juiste omstandigheden verplant worden. Eind 2015 verscheen het eindrapport Zeegrasmitigaties van de Radbout Universiteit Nijmegen, in opdracht van het projectbureau.


Meer achtergrondinformatie, het proces en de inhoudelijke onderbouwing van de experimenten met het verplaatsen van zeegras.

Lessons Learned

Op verschillende dijktrajecten was het niet overal toegestaan water te lozen op het voorland, vanwege de aanwezigheid van zeegras. Dit bleek echter in de meeste situaties praktisch slecht uitvoerbaar. Het overpompen van water over een bepaalde afstand zorgt voor veel tijdsverlies en is technisch niet altijd mogelijk. Het was verstandig geweest om voorafgaand aan de werkzaamheden punten te zoeken langs deze dijktrajecten waar geen zeegras groeide, waar dus wel op het voorland geloosd kon worden.

Projectleider: Roy van de Voort (06-21841099).

Innovatieprocesstappen



Verplanten Zeegras evaluatie
Zeegras

Eind 2007 en begin 2008 werd hard gewerkt met de resultaten uit 2007 om verbeteringen door te voeren. Vooral in de uitvoeringswijze, zodat deze sneller en efficiënter zou verlopen.

Dit heeft geresulteerd in het rapport Projectevaluatie ZLD-6476 Proef zeegrasmitigaties Oosterschelde




Verplanten Zeegras onderzoek naar oplossingen

Transplantatie zeegras

onder maatregelen voor Klein zeegras zou bij de dijkversterkingen circa 0,3 hectare verloren gegaan zijn. Daarom werd bij de dijkwerken mitigatie beoogd, Ingrepen mogen namelijk volgens EU-regelgeving geen significant effect hebben op deze zeegrasvelden. Uitgangspunt van projectbureau Zeeweringen was dat er geen verlies mocht optreden van zeegrasareaal. In overleg met de Radboud Universiteit Nijmegen, Rijkswaterstaat en de provincie Zeeland werd besloten dat de beste keuze was het verplaatsen van zeegras uit de werkstrook naar geschikte locaties elders in de Oosterschelde.

In Nederland bestaat ruime ervaring met het verplaatsen van zeegras, zij het vooral met Groot zeegras in de Waddenzee. Deze verplaatsingen waren altijd kleinschalig, vaak op scheutniveau. De enige grootschaligere verplaatsingen van zeegras hebben 8 en 13 jaar stand gehouden. Dit deed en doet vermoeden dat grootschalige verplaatsingen meer kans op succes hebben. (wetenschappelijk artikel: op aanvraag bij m.vankatwijk@science.ru.nl)

De Radboud Universiteit heeft in 2006 en 2007 samen met NIOZ en Rijkswaterstaat Zeeland een plan uitgewerkt voor het verplaatsen van zeegras uit de werkstroken van project Zeeweringen (dit plan stond aan de basis voor de verplaatsingen die zouden volgen):


Ganzenexclosures op zeegrastransplantaties

Vogelwerend rasterwerk

Rotganzen eten zeegras. In het najaar van 2010 waren er ondiepe kuilen in het zeegras gekomen. Onduidelijk was of en in welke mate begrazing door rotganzen plaatsvond op zeegrasaanplanten in de Oosterschelde en wat de gevolgen hiervan waren. De zeegras-onderzoeksgroep van de Radboud Universiteit Nijmegen en Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek besloten dit nader te onderzoeken door het uitsluiten van ganzen op aangeplant zeegras op de locatie Roelshoek van september 2011 tot half december 2011.

Het experiment was zo opgezet dat ganzen uit bepaalde plots gehouden werden (exclosures) en toch nog de mogelijkheid gegeven werd om in andere, naastgelegen plots te komen. Dit werd gedaan door 17 van de 33 plots te omheinen met een draad, zodat de ganzen er niet in konden lopen of landen. Deze methode wordt elders met succes toegepast. Om de aanwezigheid en het gedrag van vogels te volgen stonden naast de exclosure en controleplots drie camera’s die met korte intervallen foto’s maakten. Voor het onderhoud van de camera’s, het schoonhouden van de draden en het monitoren van de plots werd de locatie regelmatig bezocht. Tijdens het onderzoek werden er weinig destructieve sporen van ganzen waargenomen: er werden slechts 5 zogenaamde ‘ganzenkuilen’ aangetroffen gedurende de looptijd van het experiment. Terwijl op de foto’s gemaakt door de camera’s juist wel met regelmaat ganzen bij en in de getransplanteerde plots te zien zijn. Op de foto’s kon ook worden waargenomen dat de ganzen de waterlijn volgden en een voorkeur hadden om de transplantatielocatie te vermijden. Dit is vermoedelijk vanwege de onnatuurlijk uitziende paaltjes en draden. De conclusie van onze waarnemingen van het exclosure-experiment en de daaropvolgende monitoring van de zeegrasaanplanten in 2011 en 2012, is dat het uitsluiten van ganzen geen verschil maakt voor het aangeplante zeegras. Mogelijk werkte het vogelverschrikkereffect van de palen en draden dus toch verder buiten de plots dan we veronderstelden op basis van eerder onderzoek. Ook moet worden opgemerkt dat er slechts een heel lage begrazingsdruk was. Effecten van begrazing door rotganzen op zeegrasaanplanten konden dus helaas niet aangetoond worden.


IJsgang in de Oosterschelde

IJsgang Zeegras locatie

Begin februari 2012 was het gedurende een paar weken erg koud in Nederland. Als gevolg van overheersende oostenwind was het getij sterk verlaagd. Hierdoor werden de slikken weinig overstroomd en in combinatie met de strenge vorst resulteerde dit in bevriezing van zeewater en vormden zich dikke ijsschotsen. Door de aanhoudende vorst heeft het ijs zich gedurende deze periode opgehoopt in de Oosterschelde, voornamelijk in de (smalle) hoger gelegen baaien van de Oosterschelde, zoals bij Roelshoek waar een ijspakket werd aangetroffen tot honderden meters vanaf de dijk. Zeegras wordt in de Oosterschelde veelal aangetroffen op relatief hoge slikdelen en was in deze periode dan ook bedekt onder het ijspakket. Voor zover zichtbaar lijkt het zeegras zelf niet veel onder het ijs geleden te hebben, mede omdat het meeste blad al afgestorven en verdwenen is in de winter. ’s Winters zijn voornamelijk rhizoom en wortels over en deze zitten beschermd in het sediment. Wel zijn op alle zeegrasaanplantlocaties markeerpalen verdwenen door de ijsgang. Deze zijn in de zomer van 2012 vervangen om de plots opnieuw te markeren en terug te kunnen vinden voor verdere monitoring.




Verplanten Zeegras opstellen van randvoorwaarden
Opstellen randvoorwaarden

Om de zeegrasmitigaties kundig te begeleiden, werd een onderzoeksgroep opgericht waarin diverse partijen deelnamen. Naast projectbureau Zeeweringen zaten de Radboud Universiteit Nijmegen, het NIOZ Yerseke, Rijkswaterstaat en de provincie Zeeland hier in. Vanaf 2011 schoof ook de firma BTL aan.




Verplanten Zeegras toepassingen

Verplaatsing in 2007

Nadat het besluit gevallen was dat met een grootschalige proef bekeken zou worden of zeegras uit de werkstrook verplaatst kon worden, werd gezocht naar geschikte mitigatielocaties in de Oosterschelde. De eerste donorlocatie werd de Slikken van Viane (ten westen van het aanwezige schor). Er werden twee mitigatielocaties uitgezocht. De eerste mitigatielocatie was “Krabbenkreek Zuid”, ten noorden van het Schor van Sint Annaland. De tweede mitigatielocatie was “Dortsman Noord”, op enkele honderden meters ten zuiden van de dijk bij Stavenisse. Voorafgaand aan de daadwerkelijke verplaatsingen in 2007 is door projectbureau Zeeweringen een passende beoordeling opgesteld om de effecten te toetsen aan de Natuurbeschermingswet 1998. Omdat uit de Zeegrastoets 2007 bleek dat eind mei of begin juni het meest geschikt was (voor zeegras niet te laat en weinig vogels die verstoord worden) was het tijdspad tussen aanvraag Natuurbeschermingswetvergunning en daadwerkelijke uitvoering te kort. De provincie Zeeland omarmde het initiatief en besloot bij hoge uitzondering een gedoogbeschikking zeegrasmitigaties af te geven die pas later werd omgezet in een definitieve NB-wet vergunning. De werkzaamheden zijn openbaar aanbesteed en uitgevoerd door BTL uit Bruinisse. Voor de verplaatsingen zijn innovatieve oplossingen bedacht door BTL, met name voor het rooien en verplaatsen van zeegrasplaggen.

2008 Roelshoek.jpg
2011 Roelshoek.jpg

In het veld zijn diverse soorten plots aangelegd. De “kansrijke” plots met weinig zeegrasplaggen en de “veilige” zeegrasplots met bijna het dubbele aan plaggen. De helft van de plots werd aangelegd met maatregelen tegen wadpieren (vrijwel overal een schelpenbehandeling, een klein deel in de “Krabbenkreek Zuid” met netten). De andere helft bleef onbehandeld.

Direct na de uitvoering werd een monitoringsprogramma opgestart.


Daarnaast zijn de uitvoeringswerkzaamheden met alle partijen geëvalueerd en vastgelegd in een rapportage evaluatie incl bijlagen De Radboud Universiteit Nijmegen heeft een wetenschappelijk artikel over de resultaten geschreven (m.vankatwijk@science.ru.nl).

Verplaatsing in 2008

In december 2007 werden twee nieuwe migratielocaties uitgekozen. Deze locaties “Roelshoek” (nabij Krabbendijke) en “Krabbenkreek Noord” (nabij Sint Philipsland) werden toegevoegd aan de bestaande locaties “Dortsman Noord” en “Krabbenkreek Zuid”. Wel werd besloten om op de locatie “Dortsman Noord” een plantlocatie te kiezen dichter bij de dijk en de natuurlijke zeegrasvelden.

Zeegras kwam ook ditmaal van de Slikken van Viane waar in 2010 de dijkversterking Oosterlandpolder gepland stond. Eerst werd zeegras weggehaald ten oosten van het schor, daarna ten westen (dit laatste werd ook gedaan in 2007). Ook nu werd een natuurtoets opgesteld en volgde een ontwerpbeschikking.



De aanplanten vonden eind mei als eerste plaats op “Krabbenkreek Noord”. Begin juni gevolgd door “Roelshoek”, “Krabbenkreek Zuid” en “Dortsman Noord”. Resultaten van verplaatsen en monitoringen zijn vervat in:

Verplaatsing in 2009

In 2009 vonden geen verplaatsingen plaats. Wel werd er grootschalig gemonitord en werden leerpunten meegenomen naar toekomstige mitigaties. Eind 2009 kwam men er bij voorbereidingen voor de dijkversterking Oosterlandpolder achter, dat dicht tegen het schor in de werkstrook een groot zeegrasveld stond. Dit werd ingemeten en er werd met de provincie overeengekomen dit voorafgaand aan de uitvoering van het dijkwerk (april 2010) al “blind” weg te halen.

Documenten verplaatsing 2009

Verplaatsing in 2010

Voor de verplaatsingen in 2010 werd wederom een natuurtoets opgesteld en een vergunning verleend.

Verplaatsing in 2010 vond plaats in twee keer. Als eerste werd in maart “blind” (het zeegras was nog niet opgekomen, er werd gebruik gemaakt van metingen) een zeegrasveld weggehaald vlak voor de start van de dijkversterking van de Oosterlandpolder in april. Het zeegras zou worden verplaatst naar “Roelshoek”. Hier bleven een dumper en een kraantje steken in het slik en deze moesten tijdens hoogwater worden geborgen. Afgesproken werd uit te wijken naar “Krabbenkreek Noord” Toestemming provincie wijziging locaties. Dit jaar waren er twee nieuwe aanpakken. Een deel van de schelpenbehandeling werd niet ingegraven, maar ingefreesd middels een handfrees. Daarnaast werd er handmatig een klein veldje scheuten gepland, zoals gebruikelijk was bij verplaatsingen op de Waddenzee.

De tweede keer (juni) werd verplaatst in de Krabbenkreek zelf. De donorlocatie was het veld in de werkstrook van het dijktraject Abraham Wissepolder (uitvoering gepland in 2011). Het zeegras werd verplaatst naar de locatie “Krabbenkreek Noord”, enkele honderden meters verderop.

Resultaten van verplaatsing en monitoring staan weergegeven in:

In de Oosterlandpolder werd na de dijkversterking de werkstrook deels voorzien van een schelpenbehandeling om herkolonisatie van zeegras te stimuleren.

Verplaatsing in 2011

De resultaten fluctueerden nogal, maar zagen er aanvankelijk positief uit. Ook vanuit de doelstellingen KaderRichtlijn Water (KRW) werden financiële middelen vrijgemaakt om meer onderzoek te doen. Een van de doelstellingen is namelijk een toename van areaal Klein zeegras in de Oosterschelde proberen te bewerkstelligen. In de onderzoeksgroep werd besloten aanvullende proeven uit te voeren (bekostigd door de KRW, maar ook door NIOZ en Radboud Universiteit) en de laatste verplaatsingen in het kader van project Zeeweringen in één passende beoordeling en één contract te vervatten.

Hiervoor werd dus weer een Passende Beoordeling geschreven en werd toestemming verleend.

In 2011 vond verplaatsing van zeegras plaats vanuit het Goese Sas waar in 2012 de dijk van het traject Wilhelminapolder, Oost-Bevelandpolder zou worden versterkt. Dit zeegras werd verplaatst naar “Roelshoek”. Op deze locatie werd nu gewerkt met draglineschotten. Zo werd een snelle uitvoering gerealiseerd (de snelste tot nu toe) en er ontstonden geen problemen voor materieel zoals in 2010.

Resultaten van verplaatsing en monitoring staan weergegeven in:

Verplaatsing in 2012

In de week van 11 - 15 juni 2012 zijn de zeegrasverplaatsingen van Krabbenkreek Noord naar Viane Oost uitgevoerd. Het gaat om zeegras uit de toekomstige werkstrook van het dijktraject Sint Philipsland (uitvoering 2013). Dit zeegras is geplaatst in de werkstrook van de Oosterlandpolder (2010) waar bij eerdere verplaatsingen zeegras is weggehaald. Deze werkstrook is bij de dijkversterking in 2010 te hoog afgewerkt om herkolonisatie van zeegras te bespoedigen. De transplantaties werden uitgevoerd door firma BTL, in opdracht van projectbureau Zeeweringen. Het project werd begeleid door medewerkers van de Radboud Universiteit Nijmegen. Voorafgaand aan de transplantaties is BTL op 29 mei 2012 begonnen met herstelwerkzaamheden in de werkstrook van Viane Oost. De stenen werden verwijderd en de werkstrook werd afgegraven tot op een voor klein zeegras gunstig niveau. Het aanleggen van plots op Viane Oost is voltooid op 14 juni. In de week van 15 - 19 juni is de nulmeting uitgevoerd op deze nieuwe plots. Naast de mitigatiewerkzaamheden is ook een zogenaamde reciprokeproef uitgevoerd op de donorlocatie. Omdat dit jaar de zeegraslocatie ook verlaagd moest worden was ook hiervoor een vergunning vereist.

Resultaten van verplaatsing en monitoring staan weergegeven in:

Verplaatsing in 2013

Uitzaaiingen klein zeegras in Roelshoek

In 2013 is geen zeegras verplaatst, wel is de monitoring voortgezet. Tevens is er speciale aandacht gevestigd op de aanpak van de werkstroken.

Resultaten van de monitoring staan weergegeven in:

Verplaatsing in 2014

In 2014 is de monitoring verder voortgezet.

Gezien de ontwikkelingen va het zeegras is tevens een verzoek ingediend voor extra monitoring:



Verplanten Zeegras uitvoeren van proeven
Schelpenproef
Schelpenproef

Schelpenproeven 2007 en 2010

Wadpieren en Klein zeegras lijken geen goede combinatie. Vooral locaties waar wadpieren door omwoeling van het sediment een sterk reliëf vormen, zijn geen goede groeilocaties voor Klein zeegras. Het leek daarom een goed idee voorafgaand aan de verplaatsingen van zeegras een behandeling tegen wadpieren uit te voeren. Dit kon in de vorm van netten, zoals al eerder gebruikt in de Waddenzee. Een andere optie was een behandeling van schelpen door de ondergrond. Dit laatste had de voorkeur omdat het gebiedseigen en natuurlijk materiaal is. Omdat er nog geen ervaring met zo’n schelpenbehandeling was, voortvloeiend uit het voornoemde plan voor verplaatsing werd besloten om eerst een Antiwadpierenproef te doen.

De eerste schelpenproef is uitgevoerd op 16 en 17 april 2007 op een toegankelijk slik nabij Yerseke. De schelpen werden op twee manieren in de grond aangebracht. De schelpen bleken inderdaad een negatief effect te hebben op het aantal wadpieren. In maart 2010 is op mitigatielocatie Krabbenkreek Noord een tweede methode getest om een schelpenlaag aan te brengen, namelijk het infrezen van schelpen met behulp van een freesmachine. Het aanbrengen van een schelpenlaag heeft op alle mitigatielocaties een positief effect gehad op het zeegras, en daarom is besloten om te toetsen of een schelpenbehandeling direct langs een natuurlijke populatie de uitgroei vanuit een dergelijke bestaande ‘kern’aan zeegras kan bevorderen. Er is besloten dat er twee stroken aan schelpen zouden worden aangebracht bij Viane van ieder ongeveer 20 bij 2 meter, één langs de lange zijde en één langs de korte zijde.




Schelpenproef 2012 (Kaderrichtlijn Water)

Gelijktijdig met de werkzaamheden aan de dijk in de Nieuwe-Annex-Stavenissepolder in 2012 is er een pilot uitgevoerd ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water. Er is naast het aanwezige natuurlijke zeegrasveld een strook schelpen ingefreesd om te bekijken of dit kolonisatie van het gebied door zeegras bevordert.

Op 11 oktober 2010 is eenzelfde soort schelpenproef uitgevoerd op de locatie Viane West nabij de natuurlijke zeegrasvelden. Hier werden schelpen ingefreesd (strook parallel aan de dijk) of met behulp van een rupsdumper in de sliklaag gereden (strook loodrecht op de dijk). De bedoeling van deze proef was om te toetsen of een dergelijke schelpenlaag de aantallen volwassen wadpieren kan verlagen en zo de uitgroei vanuit aangrenzende zeegrasvelden kan bevorderen. In augustus 2011 was er nog geen sprake van ingroei in de schelpenlagen in beide stroken. Toen werd al geconstateerd dat het totale zeegrasoppervlak leek te zijn afgenomen. Deze trend heeft zich voortgezet. Het zeegras bedekte in juni 2012 ongeveer 1/3 van het maximum in 2010. Van ingroei in de schelpenlaag parallel aan de dijk was geen sprake, wel van terugtrekking van het zeegras. Bij de schelpenlaag loodrecht op de dijk was een deel van de schelpen verplaatst (door stroming?). Hierin groeide een geringe hoeveelheid zeegras. Dit was echter buiten de aangebrachte strook schelpen.

Reciprokeproef 2012

Om de effecten van verplaatsing van zeegras te toetsen, is een reciprokeproef bedacht voor uitvoering op de donorlocatie Krabbenkreek Noord. Bij deze proef zijn op 14 juni acht plaggen (van 1,5m bij 0,75m) gerooid en zijn ze gedurende één tij op de dijk in de plastic kisten blijven staan (afgedekt met natte doeken). Vervolgens is de helft van iedere plag teruggeplaatst in het gat van waaruit ze waren gerooid. De rest van de gaten is aangevuld met zeegrasvrij sediment. Aan weerszijde van ieder gat is een stuk HDPE-plaat (40 cm breed) in het sediment geplaatst om ingroei van zeegras van buiten de plag te voorkomen. De locatie van de reciprokeproef is nabij dijkpaal 658, net buiten de werkstrook, tussen 15 -18m vanaf de dijk. De acht plaggen zijn dicht bij elkaar gerooid. De locatie is afgebakend met behulp van vier hardhouten piketpalen. Tijdens de dijkversterking in 2013 is de reciprokeproef opgeruimd omdat hier een zwaardere kreukelberm is gerealiseerd.

















Referenties
HZ University of Applied Sciences
Delta Academy
Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Projectbureau Zeeweringen
Waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland
Deltares